Kerstbrood in de kribbe

Een rund kent zijn eigenaar en een ezel de krib van zijn meester.
(Jesaja 1:3, NBG)

Beste lezer,

Gezegend kerstfeest! De Heer is waarlijk mens geworden!

Dat zeggen we meestal niet zo tegen elkaar, als we met Kerst elkaar begroeten. Met Pasen wél (zoiets…), daar moest ik dus aan denken. Vandaar deze ongewone groet.

Want dat is wel precies waar het om gaat. Het eeuwig Woord van God, waardoor de wereld geschapen is, is mens geworden en heeft bij ons gewoond, en wij mensen hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader (Joh 1:14). Hij die er was vanaf het begin, hebben wij mensen met eigen ogen gezien, en hebben onze handen aangeraakt (1 Joh 1:1). Wij mochten God ontvangen, verzorgen, beschermen tegen kou en gevaar, op laten groeien in onze wereld. We mochten Hem zelfs opvoeden! We mochten Hem kennis laten maken met onze samenleving, cultuur, gewoontes, taal. Werkelijk God-met-ons.

En Hij liet ons kennis maken met Hemzelf. Hij liet ons God ervaren en ontmoeten. Dat is zijn goedheid en genade, dat is het wezen van verlossing: God ontmoeten en met Hem mogen omgaan zoals kinderen met een volmaakte vader.

Goed, dat is dus Kerst, dat vieren we. Maar we hebben er gaandeweg wel een heleboel franje en versierselen omheen gemaakt en aan vastgeplakt. Door alle kerstbomen, kerstballen, jingle-bells en wat al niet meer ziet de wereld meestal de kribbe niet. En juist daar ligt het kerstcadeautje, ingepakt in doeken.

Wie de kribbe wél zagen waren een os en een ezel. Maar staan die dan wel in het Kerstevangelie? Of horen zij óók bij de aangeplakte versierselen? Ja en nee…

Os (of rund) en ezel staan niet in het kerstevangelie, maar wel in de Bijbel. Al heel vroeg, in de derde eeuw, wordt over hen gesproken en verschijnen ze op geschilderde afbeeldingen van de geboorte van Jezus: we zien Maria, Jozef, het kind in de kribbe (dat is de voerbak voor het vee), en een rund en een ezel die toekijken. Waarom? De oude kerkvaders hadden gelezen bij de profeet Jesaja (1:3): Een rund kent zijn eigenaar en een ezel de krib van zijn meester, maar Israël heeft geen begrip, mijn volk geen inzicht.

Toen in de eerste eeuwen na Jezus duidelijk werd dat de meeste joden niet in de Messias gingen geloven, vonden zij dit een treffende profetie over wat er aan de hand was. De Heer kwam in het zijne, maar het zijne heeft Hem niet herkend. Maar die domme dieren kennen hun meester wél! Vanaf toen mochten ze er daarom altijd bij zijn, op de schilderingen, en later in de kerststalletjes.

Zo hebben de os en de ezel ook voor ons een boodschap:  Herkennen wij de Heer daar waar Hij zich wil tonen: dichtbij, in ons gewone leven, in onze kou, in onze dagelijkse noden. Of in de noden van andere mensen. Het brood uit de hemel ligt in onze voerbak, op ons bordje. Om ‘gegeten’ te worden, Jezus zegt dat zelf zo. En wij zijn het vee, de schapen die Hij wil leiden, de makke maar ook de belhamels, de stieren en de haantjes, de kippetjes, de koppige ezels, de grijze muizen, de luizen in de pels.

In de stal van onze Heer is ruimte voor een hele dierentuin!

Gabriël Jansen,
pastoraal werker