Tagarchief: navolging

Wil de ware gelovige opstaan?

‘Is dit niet het vasten dat ik verkies, …. je bekommeren om je medemensen?’
(Jes 58:6-7)

Beste lezer,

Vroeger had je op de tv het programma ´Wie van de drie´. Drie mensen stelden zich voor met dezelfde naam. ‘Mijn naam is Frits Bakker’. De echte Frits zat er bij, maar de andere twee waren nep, die deden zo goed mogelijk alsof. Wie was de ware? Dat moesten een paar anderen in de studio uitvinden door vragen te stellen aan de drie Fritsen. Aan het eind, als ieder zijn keus had bepaald, vroeg de spelleider: Wil de echte Frits Bakker nu opstaan? Tromgeroffel… En dan werd duidelijk wie de ware was en wie er met de prijs naar huis mocht.

Hoe zouden de vragenstellers van deze wereld ontdekken of wij de ware Christiaan of Christine zijn? Door vragen te stellen of, waarschijnlijker nog, door ons te onderzoeken met die vragen in gedachten. Welke vragen? Deze misschien:

Ga je naar de (juiste) kerk? Ken je de Bijbel, de twaalf artikelen van het geloof, het Onzevader, de catechismus, de ‘drie formulieren’? Heb je belijdenis gedaan? Ben je gedoopt (en wanneer en hoe?), gevormd, bekeerd, wedergeboren, vrijgemaakt of doorgeleid? Vrij-evangelisch of gereformeerd? (kies de term passend bij jouw ‘juiste kerk’…) Bid je in Jezus’ naam, om Jezus’ wil (‘niet omdat wij het verdienen’, uiteraard) of met een rozenkrans? (oei!) Zeg je Heer, Here, Heere, of Onzelieveheer? En zing je wel de juiste liedjes?

We kunnen voor de juiste vragen toch beter te rade gaan bij de Bijbel. Welke vragen stelt God zelf ons over het ware gelovig-zijn? Welke toetsstenen springen eruit? In welk licht wordt ons watermerk gecheckt?

In deze vastentijd (40-dagentijd) laat ik de grote profeet Jesaja aan het woord als hij Gods kijk op het ware vasten doorgeeft:
‘Is dit niet het vasten dat ik verkies: misdadige ketenen losmaken, de banden van het juk ontbinden, de verdrukten bevrijden, en ieder juk breken? Is het niet: je brood delen met de hongerige, onderdak bieden aan armen zonder huis, iemand kleden die naakt rondloopt, je bekommeren om je medemensen?’ (Jes 58:6-7).

Dit lijkt ook sterk op woorden uit Jesaja die Jezus voorleest in de synagoge van Nazaret (Luc 4:14 e.v.) In Hem worden ze vervuld, dat zien we telkens in zijn leven. Het lijkt óók heel erg op wat Jezus óns leert over de schapen en de bokken (Mat 25). Want ook in ons moet het vervuld worden.

De ware Mensenzoon en zoon van de Vader, de ware Godsdienaar en ware Gelovige is opgestaan uit de kribbe, heeft deze toetsstenen van God geleefd, en is daarna, na alles volbracht te hebben, opgestaan uit de dood. Twee soorten opstaan, onlosmakelijk verbonden in zijn leven. Wij, als we ware gelovigen zijn, zullen met Jezus opstaan, tegen onrecht en lijden, voor liefde en gerechtigheid. Opstaan in ons leven nu, telkens weer, en vertrouwen op het heerlijke opstaan daarna.

Gabriël Jansen,
pastoraal werker

Mensen waar God van houdt

Vrede op aarde voor alle mensen die Hij liefheeft.  (Lucas 2:14)

Beste lezer,

In de afgelopen kersttijd hebben we waarschijnlijk die bekende woorden van het engelenkoor boven de velden van Bethlehem wel weer gehoord. In het lied Ere zij God en in de oude Statenbijbel staat het er zo: ‘Vrede​ op aarde, in de mensen een welbehagen.’ De Willibrordbijbel legt het iets meer uit: ‘Vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft.’ Andere moderne vertalingen proberen meestal het woord welbehagen wat begrijpelijker te maken. Onze nieuwe vertaling (NBV) zegt dus: ‘…voor alle mensen die hij liefheeft.’ De Groot Nieuws Bijbel zegt: … voor de mensen die hem lief zijn.”

Mooi, duidelijk. Maar we blijven nog wel met een belangrijke vraag zitten: Wélke mensen heeft God dan lief? In welke mensen heeft Hij welbehagen? En zijn er dan soms ook mensen waar hij géén behagen in heeft? Hoe zit dat?

In het Grieks vinden we in deze tekst het woord eudokia: welbehagen, genoegen, vreugde, genegenheid, verlangen. Dat woord vinden we ook in de Griekse vertaling van het Oude Testament die de joden in de eerste eeuw gebruikten, bijvoorbeeld in een belangrijke profetie van Jesaja. Na alle moeiten en straf die het volk Israël heeft meegemaakt, spreekt de Heer daar van herstel, gerechtigheid en van de grote liefde en vreugde die Hij voor zijn volk voelt, en van een Redder die komt!

“Men noemt je niet langer Verlatene en je land niet langer Troosteloos oord, maar je zult heten Mijn verlangen (eudokia, een andere vertaling zegt: Mijn welbehagen) en je land Mijn bruid. Want de HEER verlangt (eudokia) naar jou … en zoals de bruidegom zich verheugt over zijn bruid, zo zal je God zich over jou verheugen.” (Jes 62:4)

Wat de engelen laten weten aan de herders in de nacht verwijst naar deze profetie. De vervulling is begonnen! Gods verlangen (welbehagen)  breekt baan, de tijd van herstel, vrede en vreugde is gekomen! Maar – en daar profeteerde Jesaja ook al over – Gods verlangen beperkt zich niet tot zijn volk vanouds, maar wordt zichtbaar én bereikbaar voor alle mensen.

Maar hoe zit het dan met al die dingen van ons waar God echt níet van houdt? Daar geven de evangelieverhalen van kort naar Kerst ook antwoord op. Wanneer Jezus gedoopt wordt in de Jordaan, lezen we dat de hemel open gaat en Gods stem klinkt: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde (eudokia).’ (Luc 3:22). Anders gezegd: Jij bent mijn ware Israëliet, de ware mens zoals Ik hem graag zie. Zó heb ik het bedoeld! Ik geniet van jou!

Mensen waar God van geniet, waar Hij van houdt, zijn dus de mensen die zich verbinden aan Jezus, omdat Jezus zich helemaal verbonden heeft aan God. Zij vertrouwen zich aan Hem toe voor nu en altijd, zij willen Hem volgen en zoveel mogelijk op Hem gaan lijken, zij vormen hun leven naar zijn beeld, door zijn Geest. Omdat Jezus is en leeft waar God van houdt.

Dát leven gunt God iedereen. Het is zijn wil en verlangen ons zó te zien. (Ef. 1:5: ook daar: eudokia!)

Gabriël Jansen,
pastoraal werker