Tomas legt de vinger op de zere plek

“Mijn Heer, mijn God.”  (Joh 20:28)

Als God het zo had gewild, dan had Jezus uit de doden kunnen opstaan en verschijnen aan zijn leerlingen zónder de kruiswonden in handen, voeten en zijde.

Ga maar na: Door alles wat Hij had doorstaan was zijn hele lichaam op allerlei manieren zwaar beschadigd. De Romeinse geseling, de doornenkroon, het onderweg vallen op zijn hoofd met de zware dwarsbalk op zijn nek gebonden, de kruisiging zelf, waarbij schoudergewrichten uit de kom gaan en veel spieren gewond raken, en het stervensproces zelf, voor en na het intreden van de dood, waardoor alle organen onherstelbaar beschadigd worden. Toch zagen de leerlingen Hem met Pasen en daarna duidelijk níet als een deerniswekkende, zwaar gehavende maar toch min of meer levende man. Meer dood dan levend, zeg maar. Nee, heel anders:  zij zagen Jezus in grote heerlijkheid! Al die grote en zichtbare fysieke schade was kennelijk door Gods kracht in de opwekking al hersteld, en meer dan dat, al ‘bekleed met heerlijkheid’. Maar dus niet die relatief kleine wonden aan handen, voeten en zij. Waarom?

Ik denk omdat God ons met deze specifieke wonden altijd wil blijven wijzen op het kruis, en dus op lijden en dood van Jezus de Heer. De leerlingen van toen, en wij die het evangelie horen, krijgen Hem niet te zien zonder deze tekenwonden. Daardoor kunnen wij de essentie van het evangelie, de essentie van Gods liefde gaan geloven.

De apostel Tomas kon niet zomaar geloven dat Jezus, die hij had gevolgd, zowel de Heer was (dat betekent Messias en God), als óók de gekruisigde. Maar toen Tomas de levende Jezus én diens kruiswonden zag met zijn natuurlijke ogen, zag hij ook met de ogen van zijn hart. Hij geloofde. “Mijn Heer, mijn God!” Wat hij zag was het evangelie, de oneindig goede boodschap die ons redt: De levende God is niet ver van ons verwijderd, niet onbereikbaar en onkwetsbaar boven ons lijden verheven. Nee, Hij daalt er in af, is aan ons gelijk geworden, lijdt met ons mee en vóór ons, deelt in onze dood. En gaat ons daarin vóór in heerlijkheid.

De moderne mens heeft nog steeds moeite te geloven dat God zó is. De wereld, ook veel godsdienstigheid, zit vol met heidense godsbeelden. En ook wij zelf kunnen soms ongemerkt weer gaan denken dat God niet weet van ons lijden of er verre van blijft. Maar dáárom zijn die kruiswonden. Zij blijven tot in eeuwigheid wijzen op Gods liefde en mede-lijden.

Gabriël Jansen,
pastoraal werker